Hoe de verhalen begonnen
Een verhaal uit 1634.
Vrij vertaald uit het engels
¯¨'*·~-.¸¸,.-~*' ¨'*·~-.¸¸,.-~*'
Het is een oud gezegde, dat hij die zoekt wat hij niet zou moeten zoeken, vindt wat hij normaal niet zou vinden. Iedereen kent het verhaal van de aap die een schoen wilde passen, die een val bleek te zijn. Iets soortgelijks gebeurde met een miserabele slaaf, die, hoewel ze nooit schoenen had gehad, een kroon wilde dragen. Maar eerlijk duurt het langst, en vroeg of laat achterhaalt de waarheid de leugen. Aan het eind, terwijl zij had wat ze met kwade bedoelingen van een ander had gestolen, viel ze van haar voetstuk; en hoe hoger ze was geklommen, hoe dieper ze viel, zoals je zult zien.
-*-
Er was eens een koning in Bosvallei die een dochter had, Zoza. Niemand had haar ooit zien lachen. De ongelukkige vader, die niets in het leven had dan zijn dochter, probeerde alles om haar aan het lachen te krijgen. Hij liet mensen komen die op stelten liepen, mannen die door hoepels sprongen, boksers, goochelaars, jongleurs die snelle truuckjes kenden, sterke mannen, dansende honden, springende clowns, een ezel die uit een beker dronk - hij probeerde het ene na het andere. Maar het was verspilde moeite, want niets bracht haar aan het lachen.
Radeloos bedacht de arme vader iets nieuws, een laatste poging. Hij liet een grote fontein van olie maken bij de paleispoorten. Hij had namelijk bedacht dat de olie het voor de vele mensen op straat onmogelijk maakte gewoon te lopen. Wilden ze voorkomen dat hun kleren verknoeid werden door de olie, dan zouden ze springend als sprinkhanen, huppelend als geiten, rennend als hazen overeind moeten blijven. Ze zouden moeten kiezen tussen de vreemdste manieren van lopen, om niet uit te glijden, of zich vasthoudend aan de muren langzamerhand het paleis moeten passeren. Hij hoopte dat er nu eindelijk iets zou gebeuren dat zijn dochter aan het lachen zou maken.
De fontein werd gemaakt; en het gebeurde dat op een dag, toen Zoza droevig uit het raam staarde, kijkend alsof ze zojuist azijn had gedronken, een oude vrouw met een spons de olie opdepte, en een kleine kruik ermee begon te vullen. Terwijl ze hard werkte aan haar geniale plan passeerde er een jonge schildwacht, die een goedgemikte steen naar haar kruikje gooide, zodat het aan stukken sprong. De oude vrouw, die bepaald niet op haar mondje gevallen was, wendde zich naar de schildwacht, vol boze bedoelingen, en riep uit: "Oh jij onbeschaamde jonge hond, jij muilezel, jij galgentouw, jij spillepoot! Ik verwens je! Moge je aan een Catalaanse lans gespietst worden! Moge duizenden ziektes je overvallen, en liefst nog meer, jij dief, jij boer!"
De jongen, die nog maar weinig baardgroei had, en nog minder discretie, hoorde haar aan, en zette het haar betaald met de woorden: "Ben je eindelijk uitgescholden, jij grootmoeder van heksen, jij oud kreng, jij kinderdoder?"
Toen de oude vrouw deze complimenten hoorde werd ze zo woedend dat ze haar boosheid niet langer kon beteugelen, en terwijl haar boosheid de stallen van het geduld ontsnapte gedroeg ze zich alsof ze gestoord was. Ze begon uit woede rare bokkensprongen te maken, en trok een vreemde apengrimas. Dit vreemde spektakel bracht Zoza zo erg aan het lachen dat ze bijna flauwviel. Maar toen de oude vrouw dat opmerkte hervond ze haar zelfcontrole, en keek Zoza trots aan, terwijl ze uitriep: "Moge je nooit in je leven ook maar een klein beetje een goede echtgenoot in een man vinden, tenzij de Prins van Rondveld je tot vrouw neemt."
Toen ze dit hoorde beval Zoza dat de oude vrouw naar haar zou worden gebracht, en wilde van haar weten of ze, met haar woorden, een vloek over haar had uitgesproken of alleen maar haar had willen beledigen. En de oude vrouw antwoordde: "Weet dan, dat de prins waarvan ik sprak een bijzonder knappe verschijning is, en zijn naam is Taddeo, een jongeman die door de verdorven spreuken van een fee zijn laatste bijdrage aan het schilderij van het leven al heeft gegeven, en hij is in een tombe gelegd buiten de stadsmuren; en er is een inscriptie in de steen, waarin geschreven is dat de vrouw die in drie dagen een kruik die daar aan een haak hangt met haar tranen vult, de prins tot leven zal brengen en zijn vrouw zal worden. Maar het is onmogelijk voor twee mensenogen om zo veel te huilen dat er een kruik mee gevuld kan worden, een kruik die een half wijnvat met gemak zou kunnen opnemen. Ik heb deze vloek over je uitgesproken vanwege je hoongelach. En ik bid dat het zo zal gebeuren, om het kwaad dat je me hebt gedaan terug te betalen." Terwijl ze nog praatte schuifelde ze vlug weg langs de trappen, uit angst voor lijfstraffen.