Hogere magie

Spreuken

  1. Magiebanden leren maken
  2. Spreuk combineren met ander soort magie
  3. Twee nonverbale spreuken
  4. Spreuk nonverbaal combineren met ander soort magie
  5. Drie spreuken tegelijk
  6. Twee spreuken combineren met een andere soort magie

Illusionisme

  1. Auditieve illusies
  2. Geurillusies
  3. Tastillusies
  4. Geestelijke illusies
  5. Optische illusies combineren met auditieve-, geur-, tast- en/of geestelijke illusies
  6. Twee willekeurige illusies combineren

Wilsmagie

  1. Je wil overbrengen op een klein dier
  2. Je wil overbrengen op een groot dier
  3. Je wil overbrengen op een mens

Telekinese

  1. Kleine dingen teleporteren over kleine afstanden (max 50 meter)
  2. Grote dingen teleporteren over kleine afstanden (max 50 meter)
  3. Meerdere kleine dingen teleporteren over kleine afstanden (max 50 meter)
  4. Meerdere grote dingen teleporteren over kleine afstanden (max 50 meter)
  5. Jezelf teleporteren over kleine afstanden (max 50 meter)
  6. Jezelf plus nog één iemand teleporteren over kleine afstanden (max 50 meter)

Telepathie

  1. Telepathie leren aanvoelen en blokkeren.
  2. Telepathie gebruiken om je volledig van de buitenwereld af te sluiten (concentratie verhogen, hierdoor kan men beter op magie concentreren en magie dus sterker worden).
  3. Telepathie gebruiken om in iemands gedachten binnen te dringen (ook als deze persoon je blokkeert).
  4. Door middel van telepathie je geest tijdelijk je lichaam laten verlaten.
  5. Telepathie gebruiken om de beelden/geluiden van anderen te onderscheppen.
  6. Telepathie gebruiken om andere telepathie te onderscheppen en te manipuleren voor het de ontvanger bereikt.

Toverdranken

Elementaire magie

1. Een en twee elementen

  • Een element twee dingen tegelijk laten doen (splitsen).
  • Twee elementen oefenen.
  • Twee elementen: één splitsen, andere doet hetzelfde als een van de twee gesplitste delen.
  • Twee elementen splitsen.

2. Drie elementen

  • Drie elementen oefenen.
  • Een element splitsen, andere doen hetzelfde als een van de twee gesplitste delen.
  • Twee elementen splitsen, andere doet hetzelfde als een van de vier gesplitste delen.
  • Drie elementen splitsen.*

3. Vier elementen

  • Vier elementen oefenen.
  • Een element splitsen, andere doen hetzelfde als een van de twee gesplitste delen.
  • Twee elementen splitsen, andere doen hetzelfde als een van de vier gesplitste delen.
  • Drie elementen splitsen, andere doen hetzelfde als een van de zes gesplitste delen.*
  • Vier elementen splitsen.*

4. Dubbel splitsen

  • Een element twee keer splitsen (drie verschillende dingen laten doen).
  • Twee elementen twee keer splitsen (ieder element drie dingen laten doen, zes totaal).
  • Drie elementen twee keer splitsen (ieder element drie dingen laten doen, negen totaal).*
  • Vier elementen twee keer splitsen (ieder element drie dingen laten doen, twaalf totaal).*

5. Twee combineren

  • Twee elementen samen één doel laten bereiken.
  • Twee elementen elkaar laten tegenwerken.
  • Twee elementen elkaar laten versterken, zonder elkaar af te remmen/benadelen.

6. Drie combineren

  • Drie elementen samen één doel laten bereiken.
  • Drie elementen elkaar laten tegenwerken.
  • Drie elementen elkaar laten versterken, zonder elkaar af te remmen/benadelen.*

*Is een optie voor de zeer goede leerlingen (anderen kunnen dit niet aan), geen vereiste, geeft wel hoger cijfer.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 License